Dan ziet Israël de twee kinderen van Joseeph staan (Gen. 48:8). Hij vraagt: Wie zijn dat? Herkende Ja’aqov zijn eigen kleinzonen niet meer? Het kan zijn dat hij wel schaduwen zag, maar geen personen meer kon onderscheiden. Rashi legt uit dat Ja’aqov een profetisch gezicht had en achter de twee jongens de goddeloze koningen van het tienstammenrijk op zag doemen, Jerobeam en Achav van Ephraïm, Jehu van Menashe. Daarom zei hij tot Joseeph: wie zijn dat? Een andere midrash legt een verband met de afkomst van de twee zoons. Uit welk huwelijk zijn zij geboren? Joseeph maakt zijn vader duidelijk dat het zíjn zonen zijn die God hem gegeven heeft. De rechtvaardige geeft God de eer voor Zijn gaven.
Nadat vader Ja’aqov zijn kleinzonen gekust en omhelst heeft, neemt Joseeph zijn zonen bij de hand en nadert zijn vader. Ephraïm aan zijn rechterkant, en Menashe aan de linkerzijde. Zodat Israël zijn rechterhand op de oudste, Menashe, kan leggen, en zijn linkerhand op de jongste zoon. Dit gebeuren herinnert aan de zegeningen van Ja’aqov en Ezaw. Ook een tweetal. Ook een vader die slecht kon zien. Ook twee zonen die naderen en waar vader vraagt wie daar is. Maar er is wel verschil tussen Jitschaq en Ja’aqov. Waar Jitschaq verblind was en Ezaw de eerstgeboortezegen wilde geven, daar weet Ja’aqov dat hij zijn handen moet kruisen. Want er gebeurt iets merkwaardigs. De oude Ja’aqov kruist zijn handen, zodat Ephraïm onder de rechterhand van Ja’aqov zal worden gezegend en Menashe onder de linkerhand. Opnieuw wordt de jongere voor de oudere gesteld. Het is bijna hetzelfde als de vorige keer, maar de uitkomst is totaal verschillend! Beide broers behoren tot hetzelfde volk. We lezen nergens dat Menashe een wrok koestert, zoals Esaw deed. Nee, want Menashe is in Joseeph begrepen. Samen zijn zij het huis van Joseeph. Zij delen beiden in deze zegen van Israël. Door beide zoons te zegenen en op te nemen als een stam in Israël, kreeg Joseeph ook daadwerkelijk een dubbel deel in Israël.
Er staat dat Ja’aqov nu Joseeph zegent (48:15-16):
God, voor wiens aanschijn mijn vaders, gewandeld hebben, Avaham en Jitschaq
God, Die herder over mij geweest is, van dat ik ben, tot op dezen dag;
De engel, die mij losgekocht heeft van alle kwaad,
Zal ze zegenen, de jongens,
door hén zal mijn naam worden genoemd,
en de naam van mijn vaderen Avraham en Jitschaq;
en als vissen zo overvloedig zullen ze worden in de schoot van het land!
Dat deze jongens mogen vermenigvuldigen in menigte. Een engelse vertaling zegt: let them grow into a multitude in the midst of the earth. Het werkwoord dat wordt gebruikt voor vermenigvuldigen of groeien is dagah. En dat is de enige keer dat dit woord wordt gebruikt in de Schrift. Het zelfstandig naamwoord dat daarvan is afgeleid is dag. En dat betekent vis. Daarom wordt er ook vertaald: als vissen zo overvloedig. Rashi zegt daarover dat zich onder water, buiten het zicht van het boze oog (ayin hara) vermenigvuldigen. Andere commentatoren sluiten hierbij aan en benadrukken vooral de vruchtbaarheid en overvloed: vissen staan symbool voor ongehinderde, massale vermenigvuldiging. Is het daarom dat Jeshoea zijn leerlingen tot vissers van mensen maakt?
De jongens zullen een overvloed (rav) zijn. Een menigte. In de schoot van het land wil zeggen vanuit het binnenste. Sarah lachte van binnen (Gen. 18:12). Oud geworden, kon zij niet geloven de ‘paradijsvreugde’ met haar heer (ednah we-adoni) nog te zullen beleven. En zullen er nog vijftig tsadiqiem (rechtvaardigen) binnen de stad zijn, zo vraagt Avram (Gen. 18:24)? De kinderen Esaw en Ja’aqov bevochten elkaar in het binnenste van Rivkah (Gen. 25:22). Zij ging om JHWH te vragen. En wat zegt de Ene? Twee gejim zijn er in uw buik en twee amim zullen zich vaneen scheiden uit uw ingewanden. Het ene am zal sterker zijn dan het andere am. En de overvloedige (rav) zal de mindere (tsa’ir) dienen. Het binnenste of de schoot is een verborgen plek waar cruciale beslissingen vallen die van grote invloed zijn op wat later zichtbaar zal worden.
Het woord land is erets en dat wordt ook met aarde vertaald.
De zegen voor Joseeph is ingebed in het voorgeslacht en gericht op het nageslacht. Ja’aqov spreekt de zegen uit dat de jongens als vissen zo overvloedig zullen zijn in de schoot van de aarde.

